Recensie toneelstuk klas 10.3 Dimitri Frenkel Franks Ja, kén toch?

Recensie toneelstuk klas 10.3 Dimitri Frenkel Franks Ja, kén toch?

 

 Voorafgaand aan de opvoering van Ja, kén toch?, wordt het publiek gewaarschuwd door de mentoren Irene Eekhof en Emanuel Klinkenberg van klas 10.3. Deze voorstelling bevat grof taalgebruik en is minder geschikt voor al te jonge kijkers. Het is maar dat u het weet!

 

Tekst | beeld Geraldina Metselaar

 

In het stuk uit de jaren 70 waar hippies, studenten en feministen op de barricaden gingen en aan de poten onder gevestigde orde zaagden, werden provocerende leuzen niet geschuwd. Het gezin als hoeksteen van de samenleving en meneer pastoor werden op de hak genomen, net als de traditionele man/vrouw-conventies. Weg met het geloof, hoop en de eeuwige trouw, vrijheid blijheid was het nieuwe adagium! In vijftien korte – vaak absurdistische – sketches worden we geconfronteerd met politiek incorrecte uitspraken en #metoo situaties, waarvoor je vandaag de dag voor de rechter zou worden gedaagd. Mij bekroop het gevoel dat we van een Ja, kén toch? vrijgevochten maatschappij, zijn veranderd in een land dat uitblinkt in Nee, kén toch niet. Hoe schrijnend de uitspraken ook zijn, op zich is het jammer dat onze vrijheid van meningsuiting steeds verder wordt beknot. Waar hebben we dat stukje goed fatsoen verloren, waardoor het wél door de beugel kon?

 

Eigen draai

Meteen al bij de eerste scene vallen we binnen bij een vrouwelijke dr. Phil. Ze toont ons een koppel dat zich los moet weken van hun vaste gewoontes. De man wil suiker in zijn koffie en met liefde wil zijn vrouw dat erin doen. ‘Maar hoho, daar wilden ze nu net vanaf. Toch?’ Bij nader inzien vindt het echtpaar het prima zoals het is en wordt dr. Phil weinig zachtzinnig hun huis uitgewerkt. Vrouwlief doet gewoon suiker in de koffie van haar man. Lekker! Na scene 1 passeert een bonte stoet karakters. Ik noem er enkele, maar met het grootste gemak kan ik ze allemaal noemen. Dat is beslist een pluspunt van dit stuk – iedereen heeft een hoofdrol! De Honden bijvoorbeeld met een Stoffel die je zo zou adopteren en een licht anarchistische boxer. Hij trapt tegen zijn baasje: ‘Straks ga ik haar Volkswagen onderschijten.’ Een agent heeft vervolgens zijn twijfels bij de vrouwelijke commissaris. ‘Daarvoor is een vrouw toch veel te dom, die van mij in ieder geval wel!’ Een van de meest treffende scenes is wanneer De Dood een patiënte komt halen. ‘Ik wil nog niet dood’, is haar repliek. Wanneer er enige verwarring ontstaat over de naam, moet hij even bellen. ‘Je begrijpt dat ik een directe lijn met boven heb.’ Maar de administratie is niet meer wat het was. ‘Alles wordt minder’, ageert De Dood. ‘Werd je vroeger met engelenzang onthaald, ik zou er niet meer op rekenen.’ Zowel in de hemel, als de hel kampen ze met een niet-aflatende stroom stervelingen. Met een swingende slotscene geeft klas 10.3 op een soms voorzichtige, dan weer verrassend humoristische wijze, denk aan de dronken agent, invulling aan Ja, kén toch?. Nog een pluspunt van dit stuk: iedereen kan er zijn eigen draai aan geven. Zowel de leerlingen, als het publiek.

 

Met een randje

Tijdens de generale repetitie spreek ik Anna van de Hoef en Emma Cujko uit klas 10.3. De afgelopen weken heeft de klas intens de toneelperiode beleefd. “We hebben een maand de eerste twee uur toneel gehad”, vertelt Anna. Naast op dat toneel staan, moesten de leerlingen meer doen dan alleen teksten leren. Een belangrijke opdracht van hun toneeldocent Frank Oele was nadenken over je rol. Want wie zich verdiept in z’n personage, kan ‘m ook beter spelen. Ook vond Oele dit toneelstuk goed passen bij deze energieke klas. Emma: “We kregen eveneens stemoefeningen om beter te leren ar-ti-cu-le-ren en deden aan teambuilding. We moesten bijvoorbeeld bij elkaar op schoot zitten in de kring.” De twee meiden lachen. In het begin was dat moeilijk, ja, maar gaandeweg zat er een stijgende lijn in. Nadat duidelijk was welk toneelstuk ze zouden gaan doen, werd er geoefend en geoefend. Ja, kén toch? is een voorstelling met een randje, concluderen de meiden. “Er komt behoorlijk veel schunnig taalgebruik in voor”, vindt Anna. “Alles wordt uitvergroot. Feministen hebben tuinbroeken aan, een hippie wil niets liever dan dat zijn keurige dochter wordt ontmaagd. Als iemand in de gracht dreigt te verdrinken, staat er een mensenmenigte bij. Ze kijken, roepen om hulp, maar uiteindelijk doen ze niks!!!” Over één ding zijn de meiden het eens: de rollen zijn goed verdeeld. Emma moet bijvoorbeeld een jaloerse vrouw spelen. “Dat past wel bij mij!” Anna speelt een feministe en daar kon ze goed mee uit de voeten. “Ik heb snel mijn oordeel klaar, haha!” In het voorwoord van het programmaboekje, schrijven de leerlingen dat ze door het vele intensieve repeteren elkaar beter hebben leren kennen. “Onze band is sterker geworden. We zijn een hele hechte klas.” Nu de toneelperiode erop zit, gaat klas 10.3 ook nog op cultuurreis naar Napels. En daar hebben ze ongelofelijk veel zin in. Echt wel!